Rust in de stad

Westerdokseiland: hartje Amsterdam, je zou het niet zeggen, want het is rustig op het dorpsplein. Dit is stedelijk wonen nieuwe stijl. Dicht op elkaar en toch gedistingeerd.
 

De stad glanst, vlak aan het IJ. Grijze stenen re­flecteren het licht. Het complex, waar niemand zomaar flat tegen zal zeggen, heet ‘La Grande Cour’. Er is ook een ‘VOC Cour’ en een ‘Wester­kaap’. De binnenplaatsen, afgeschermd door hekken, hebben iets van een dorpsplein – met bankjes en buren. Je hoort in de verte de trein die piepend de laatste bocht neemt naar het CS, en het pontje dat de kade nadert. Dan kijk je omhoog en voel je dat in dit hoekje van de stad veel mensen wonen. Ramen, balkons, een laag of vier, vijf. Maar niks massa, niks alles­-op-­een­-kluitje, niks grauw.
De rook en het stof, zó dickensiaans, zijn voor­goed opgetrokken – dat is het beeld dat archi­tect Rudy Uytenhaak graag gebruikt. De ‘smog­stad’, zoals beschreven in Oliver Twist en David Copperfield, zijn we kwijt. De stad is niet meer grimmig. ‘De stad is geen poel van verderf meer, maar is een prachtige voedingsbodem gewor­den.’ De stad is van ons – meer dan ooit. ‘Ein­delijk hebben we dat 19de-­eeuwse imago, van die Charles Dickens­achtige steden, van ons afgeschud. We willen weer in de stad wonen.’
En waarom? Uytenhaak, schrijver van het boek Steden vol ruimte (2008): ‘Er is nu een grote groep die de voorzieningen van de stad wil. Het theater, de bioscoop, de winkels, de vrienden­kring. Alles op korte afstand. Niet meer met de auto vanuit Hoofddorp of Capelle, liever wonen midden in de stad en op de fiets naar school. De ene keer brengt vader de kids, de andere keer moeder. En als het even spaak loopt, bellen ze elkaar. Zo gaat dat nu.’
Jeroen van Schooten, eveneens architect maar dan bij Meyer en Van Schooten Architecten, ziet eenzelfde ontwikkeling: ‘Nederland trekt meer naar de steden. Al is het maar omdat veel werk­gelegenheid daar zit. Weg uit de file. Het open­baar vervoer altijd bij de hand.’ Iedereen naar de stad, dat gaat natuurlijk niet zomaar. In Neder­land gaat het al snel over ruimte. Die beperkt is, zeker in steden. Maar volgens Rudy Uytenhaak is het ook een kwestie van kiezen. Bouw je ver­der in de natuur, of ga je de ruimte in de stad anders benutten?
Hij kiest voor dat laatste. Im­mers, zo suggereert de titel van zijn boek al: er is ruimte in steden. Als je maar wilt. Uytenhaak, (mede)ontwerper van onder meer de Amsterdamse woonwijk Tuinstad de Bongerd, het VROM­-kantoor aan het Stationsplein van Haarlem en het Huis voor Schoone Kunsten in Apeldoorn, is de man van het ‘verdichte wonen’. Hij deed er in zijn functie als praktijkhoogleraar aan de TU Delft de afgelopen jaren onderzoek naar. Veel mensen kunnen op een relatief kleine oppervlakte wonen, zelfs met weinig openbare ruimte, ‘als de huizen en de omgeving maar van hoge kwaliteit zijn’.
‘Het klinkt wat negatief, dichtheid. Het roept misschien associaties op met kippenfokkerijen in Barneveld. Maar je moet van mensen geen massa maken. Dat wil niemand. Je woont wel­iswaar dicht op elkaar, maar je moet psycholo­gische ruimte creëren. Met het gevoel dat alles kan. Mijn vrienden zitten om de hoek, de yoga­klas is dichtbij. En binnen is het comfortabel. Hoge plafonds, licht, uitzicht op hemel of hori­zon, of gewoon met een mooi balkon.
Jeroen van Schooten is een van de bewoners van La Grande Cour, een gebouw dat hij zelf heeft ontworpen: ‘Het gaat ook om een luxe-­uitstra­ling. Je moet dan iets extra’s bieden. Misschien een huismeester. Of de service dat je je bood­schappen kunt laten bezorgen.’
De luxe van het Amsterdamse Westerdokseiland (volgens de architecten driehonderd woningen per hectare, pakweg twaalf keer de dichtheid van de Bijlmer): je hoeft slechts de aluminium ets­/loopbrug over en je staat op de Haarlem­merstraat of Haarlemmerdijk. Squashen kan aan de overkant bij Squash City. Eten kan al in restaurant Open, op een oude spoorbrug aan het Westerdoksplein. Het Centraal Station is werkelijk om de hoek. De uitzichten over het IJ en de binnenstad zijn fenomenaal.
En dat terwijl het complex niet echt hoog is: maximaal een laag of tien. ‘Dat is zo vaak het misverstand’,  aldus Uytenhaak. ‘Dan hoor je: dus jij wilt de natuur sparen en in de stad gaan bouwen? Dan moeten we stapelen! Maar het hoeft niet per se hoogbouw te zijn. Hoe hoger je bouwt, hoe verder alles uit elkaar moet staan. Dat is regelgeving. Je hebt ook licht nodig. Bovendien: als je op de 21ste verdieping woont, is het leven van de stad wel heel ver weg.’
Van Schooten ziet juist veel voordelen in het ‘hoge wonen’, zoals bijvoorbeeld in de 120 me­ter hoge toren The Red Apple in Rotterdam (slogan: Room for the Happy View). Waar veel mensen wonen, aldus Van Schooten, is de kans groter dat de winkels het redden. Die heb je no­dig voor een levendige buurt. Verder is veel te compenseren. ‘Je moet als het ware het maai­ veld terugbrengen in het gebouw. Maak een gemeenschappelijk dakterras. Desnoods een waar de kinderen op kunnen fietsen. Kom met een integraal plan. Kijk of er een bioscoop in de buurt is, of een trapveldje.’
Belangrijk, vinden beide architecten, is de diver­siteit. ‘Geen monocultuur, geen slaapwijk, niet enkel wonen of enkel werken’, waarschuwt Van Schooten. ‘Het moet een mooie mix zijn. Zijn er genoeg gezinnen met kinderen? Dat is bepalend voor het stedelijk leven. En er moet plaats zijn voor verschillende welstandsklassen.’ Uytenhaak: ‘Je moet niet allemaal Bijlmers heb­ben, allemaal Bongerds of allemaal Westerdoks­eilanden. Liever van alles wat. Als je er langs­ etst, moet je denken: waarom woon ík hier niet, waarom woon ík juist ergens anders? Je woonomgeving zegt iets over jezelf, net als kle­ding en muziek. Wie ben je, waar hoor je bij?’
Op het Westerdokseiland valt eenderde van de woningen in het middensegment (huur/koop), de rest is vrije sector. Wie op Funda kijkt, zal vraagprijzen aantreffen van zo’n 269.000 euro voor 65 vierkante meter op verdieping 6 van La Grande Cour. Of 420.000 euro voor 90 vier­ kante meter op de negende verdieping in com­plex Westerkaap.
‘Je ziet het aan de balkons. Klein balkon: sociale woningbouw. Groot is koop’, zegt kleine zelf­ standige Gertjan, die op stoepniveau zijn ‘sma­kenlab’ ofwel cateringbedrijf heeft: The Man with the Pan. Met een glimlach: ‘Het lijkt wel een antropologisch project.’
Het moet volgens hem allemaal nog een beetje gaan ‘lopen’. Er zijn al wat bedrijven actief: Voeten & Meer (pedicure) op Westerdok 320, Mulders vandenBerk Architecten op Leliëndaal­straat 12, Esqo­living.com (affordable luxury) aan het Westerdoksplein. Niet wat je zegt de prijsknaller op de hoek.
‘Inkomensverschillen houd je overal’, zegt Uytenhaak. ‘Maar het is wel een mengvorm. In Nederland hebben we liever dit dan getto’s, we willen geen Bronx. Wel is het zo dat in derge­lijke complexen mensen zitten die wat betreft opleiding bevoorrecht zijn. Ze zijn intellectueel actief en vinden het daarom belangrijk dat er iets cultureels in de buurt is.’
Uytenhaak vindt dat er meer ‘aangename mi­lieus’ moeten worden geboden binnen de grote steden (‘en dat doen we op dit moment te wei­nig’). Van Schooten benadrukt dat er echt een markt voor is (‘ook ouderen hebben tegen­woordig interesse in een groot appartement in de stad’). Tel uit je winst. Van Schooten: ‘De ecologische footprint van iemand die in de stad woont is veel kleiner dan iemand die moet forenzen. Bovendien hoef je in grote, hoge gebouwen minder te stoken. Dat scheelt weer energie.’ Uytenhaak: ‘Het is beter voor het milieu. En, belangrijk: de mensen zijn er gelukkiger.’

of bekijk deze eens...

Het nieuwe oud worden

Artikel voor het magazine ‘Seriously’ van private banker Theodoor Gilissen (nu Insinger Gilissen). Wat zijn de opties voor zijn welgestelde, ouder wordende cliënten?

Waar is de financiële huisarts?

Interview met Fred van Raaij, hoogleraar economische psychologie, voor het magazine ‘CreditMind’ van GGN, de grootste incasso- en gerechtsdeurwaarder van Nederland. Over de psyche achter betalen en niet betalen.

Altijd die uitdaging zoeken

In opdracht van Ernst & Young (nu EY), organisator van de verkiezing Entrepreneur of the Year: interview met Frans van Seumeren, investeerder in de offshoresector en eigenaar van FC Utrecht.