'Ik ben vóór de schoonheid'

Als Rijksbouwmeester Liesbeth van der Pol het land doorkruist en om zich heen kijkt, valt het haar elke keer weer op: ‘Nederland is zo on-waar-schijn-lijk mooi. Beeldschoon.’



Twee dagen per week werkt ze op haar eigen bureau Dok Architecten, aan het Entrepotdok in Amsterdam; drie dagen per week is ze Rijksbouwmeester, huizend in het ‘atelier’ bij het ministerie van VROM in Den Haag. Van der Pol zit dus vaak in de auto, op de route Amsterdam-Den Haag en vice versa. En dan glijdt het platteland naast de snelweg aan haar voorbij. Het silhouet van een dorp of een stad in de verte…
‘Je hebt daar echt geen schilderij voor nodig. Dat hébben we hier gewoon. Het is overal.’
Als ze alle drukte bij elkaar optelt, blijft er per week maar één dag over voor haar zelf. ‘Dan zeil ik of fiets ik. Dat heb ik nodig.’ Want druk en gehaast is ze. Ze komt, ze gaat, ze leest, ze overlegt, ze staat in de file. ‘Maar ik probeer het allemaal strak te plannen’, zegt ze aan een tafel in haar Haagse kantoor, terwijl ze meteen maar een broodje eet. ‘Dat is architecten eigen, denk ik. En je moet ook strikt zijn als Rijksbouwmeester. Anders lukt het echt niet.’ Ze slaat met de hand op tafel om dat te benadrukken.Van der Pol (50) volgde ruim een jaar geleden Mels Crouwel op als Rijksbouwmeester. In die functie ziet ze toe op het rijksarchitectuurbeleid. Ze adviseert de directeur-generaal van de Rijksgebouwendienst en de minister van Wonen, Wijken en Integratie. Ze houdt de kwaliteit in de gaten van allerhande projecten; dat kan variëren van de Zuidas, het Rijksmuseum, rijksmonu- menten, tot de huisvesting van ministeries in Den Haag.
Van der Pol is verder voorzitter van het College van Rijksadviseurs: dat orgaan geeft de regering advies over (landschaps)architectuur, infrastructuur en cultureel erfgoed.
Ze vindt het een hectische, maar prachtige functie. Ze heeft het gevoel dat ze als Rijksbouwmeester de volgende stap kan zetten. ‘Jarenlang ging het over de verrommeling van Nederland, over hoe lelijk alles is geworden. Nederland ís niet lelijk. Mels Crouwel en zijn voorgangers hebben het al op de agenda gezet: we zijn tégen verrommeling. We moeten het land niet verder laten vollopen. Ik wil het nu een positieve draai geven: ik ben vóór de schoonheid.’
Van der Pol zal niet snel aangeven welk gebouw, welke wijk of welk bedrijventerrein ze werkelijk heel lelijk vindt. Het stigmatiseert. Het gaat haar niet enkel om de buitenkant van gebouwen; hoe passen ze in de omgeving? En ze wil niet onbedoeld burgers beledigen die al hun hele leven in die ene wijk wonen. Bovendien, de begrippen ‘lelijk’ en ‘verrommeling’ zijn relatief. ‘Verrommeling kan een bedrijventerrein naast de snelweg zijn, maar ook een slecht onderhouden park, een verkeerd gesitueerd gebouw of vuil op straat. Het is maar net wat je zelf als storend ervaart.’
Liever gaat ze in op hoe kan worden voorkomen dat het nog eens gebeurt, dat de grens tussen stad en platteland verder vervaagt. Opdat we gezamenlijk iets moois kunnen bouwen. Het antwoord, even simpel als doeltreffend: de dialoog. ‘We moeten weer echt met elkaar praten. En naar elkaar luisteren. Niet alleen naar architecten of planners, maar naar iedereen, ook naar bedrijven en burgers. Ieder is op zijn manier een specialist. Een architect kan een gebouw ontwerpen – dat is een specialist. Maar ook een gewone burger, zoals jij en ik, kan een specialist zijn. Je hoort echte verhalen, luister daarnaar. Wat voor jou een hoopje oud roest is, kan voor een ander heel belangrijk zijn. ”Mijn vader heeft daar nog gewerkt”, hoor je dan. Of: ”Blij dat dat stukje groen blijft. Onder die boom ben ik ooit verliefd geworden.” Die niet-tastbare verhalen brengen je dichter bij de werkelijke betekenis van gebouwen en buurten.’
Het is natuurlijk een open deur, erkent Van der Pol, ‘meer samenwerken’, maar het is ook de werkelijkheid. ‘We hebben decennialang langs elkaar heen gewerkt, zijn van elkaar afgedreven. Iedereen bleef maar bouwen. Dat was goed, dat hoorde bij die tijd, we wilden iedereen een warm en gezellig huis bieden, en toen dachten we dat we overal moesten en konden uitbreiden. We hebben niet genoeg stilgestaan bij de gevolgen voor het landschap. Duurzaamheid had geen urgentie. We waren vooral bezig met procedures. Architecten stonden meer voor de rechtbank dan achter de tekentafel.’
Het blijft niet enkel bij woorden. De huidige crisis heeft de geesten rijp gemaakt voor het platform Nederland wordt anders, waarvan Van der Pol een van de initiatiefnemers is. Een heel divers gezelschap buigt zich daarin over het nieuwe elan in de inrichting van het land. Onder hen de ministeries van VROM, WWI en OCW, de vereniging van woningcorporatie Aedes, de vereniging van projectontwikkelaars NEPROM, de TU’s van Delft en Eindhoven, het Stimuleringsfonds voor Architectuur, de gemeenten Rotterdam, Den Haag en Utrecht. Ook architecten en stedenbouwkundige bureaus hebben zich aangesloten.
‘Iedereen zit bij elkaar’, jubelt Van der Pol. ‘Jong en oud, gemeenten en ontwikkelaars, gerenommeerde en beginnende architecten zitten samen om de tafel. Dat is toch geweldig? We kunnen nu echt gezamenlijk kijken naar wat belangrijk is. We voelen de urgentie van de duurzame inrichting van het land heel diep. Vragen die we vroeger vergaten, komen weer aan bod: hoeveel willen we in de auto zitten, wat doen we met de drukte in de binnenstad? Dat alles is bepalend voor de architectuur en de infrastructuur.’
Er is nu ook tijd voor, zegt Van der Pol. Want het is crisis. ‘We maken een pas op de plaats.’ Er wordt nu veel minder gebouwd. Zo’n vijfduizend architecten (dertig procent) hebben hun baan verloren. ‘Het is onvoorstelbaar dat er een crisis voor nodig is om tot bezinning te komen. Deze time-out moeten we goed gebruiken. Laten we dit omzetten in iets positiefs. Nadenken. Stapje terug. Niets zal meer zal hetzelfde zijn als vroeger. Dat weet je nu al.’
De crisis zal ook, meer dan ooit, de vraag oproepen: waar gaan we ons geld aan besteden? ‘Er is minder geld, maar ook met minder geld moet het lukken. De vraag is wat we willen uitgeven aan stenen en wat aan groen? Kijk naar nieuwbouwwijken: daar heb je altijd het probleem dat het zo lang duurt voor die kleine bomen groot zijn. Misschien moeten we meer investe- ren in groen. Ook een boom is veel waard.’ Alles draait om karakter, wat Van der Pol betreft. En dat kan in een boom zitten, een fabriek, een schoolgebouw, een kerktoren; elementen die ze graag ‘gevonden voorwerpen’ noemt. ‘Die moet je koesteren, dat zijn de karakteristieken van een wijk. Daarmee ga je dan aan de slag als ontwerper.’
Goed voorbeeld vindt Van der Pol de woonbuurt op het GWL-terrein in Amsterdam-West, het voormalige terrein van de Gemeente Waterleidingen. Twaalf jaar geleden is daar een ecologisch verantwoorde wijk verrezen: zes hectare, autovrij, veel groen. Oude gebouwen zijn behouden gebleven, zoals de watertoren en het machinepompgebouw, waarin nu het Grand Café Amsterdam huist. ‘Dat is toch een geweldig ontwerp van Adriaan Geuze. Als je in die buurt wilde wonen, moest je kiezen: hoe belangrijk vind ik het om een auto te hebben? Je kunt daar maar moeilijk parkeren, het binnenterrein is autovrij en dus ook meteen kindvriendelijk. En voor iedereen is er een stukje groen. Wat je ermee doet, maakt niet uit. Je kunt er je sla verbouwen, je kunt er op een bankje zitten of je kunt het aan je buurman geven. Hier is echt aan de leefbaarheid gedacht.’
Andere wijk waar oud en nieuw elkaar ontmoeten: Strijp-S in Eindhoven. Hier wordt gebouwd aan een ‘creatieve stad’, op een gebied dat vroeger bij Philips hoorde. Monumentale gebouwen krijgen een woon-, werk- of cultuurfunctie: De Hoge Rug, het Glasgebouw, het NatLab, de Machinekamer, het Ketelhuis. ‘Het is goed historie te behouden’, aldus Van der Pol. ‘We hoeven niet per se de stad verder uit te breiden. Ga uit van wat je al hebt. We hebben zo veel waar we nieuwe dingen mee kunnen doen. Soms zien we het alleen niet. We moeten weer goed leren kijken.’
Liesbeth van der Pol (1959) werd geboren in Amsterdam. Vestigde zich kort na haar afstuderen aan de TU Delft in 1989 als zelfstandig architect. In 1992 won ze de Charlotte Köhler Prijs voor architectuur en in 1993 de Rotterdam-Maaskantprijs voor jonge architecten. In 2008 volgde ze Mels Crouwel op als Rijksbouwmeester.
 
Liesbeth van der Pol ontwierp onder andere de woontorens De Rooie Donders in Almere, Aquartis in Amsterdam, de witte villa’s in Den Bosch, de waterkrachtkoppelingscentrale in Utrecht. Ze tekende voor de vernieuwing Scheepvaartmuseum Amsterdam (verwachte eindoplevering in 2011) en het masterplan Waalfront, Nijmegen (einddatum 2025).
Liesbeth van der Pol woont samen met architect Herman Zeinstra. Ze hebben een zoon.

of bekijk deze eens...

Het nieuwe oud worden

Artikel voor het magazine ‘Seriously’ van private banker Theodoor Gilissen (nu Insinger Gilissen). Wat zijn de opties voor zijn welgestelde, ouder wordende cliënten?

Rust in de stad

Reportage over Westerdokseiland in Amsterdam voor het magazine ‘Maatwerk’ van WestlandUtrecht Bank. Stedelijk wonen nieuwe stijl.