Wie je het ook vraagt, iedereen heeft een melancholisch rijtje van bars en clubs die in de afgelopen decennia zijn gesloten. Splash, met gespierde ‘Chelsea boys’ achter de bar (en onder de douche) en soms grootheden als Madonna en Kylie op het minipodium: na 22 jaar gestopt. De iconische buurtbar Rawhide, met een oude motorfiets boven de pooltafel, moest in 2013 de leren broek aan de wilgen hangen toen de eigenaar van het pand de huur nagenoeg verdubbelde naar 27 duizend dollar per maand.
Niet dat er niets meer is: de roemruchte leerclub The Eagle ging weliswaar dicht in het Meatpacking District maar kwam in opgepoetste variant terug in Chelsea. Julius’, de oudste homobar van de stad, zit nog steeds in de Village. Net als The Monster, waar de klanten als altijd vrolijk meezingen op een kruk aan de vleugel. Bij de Beauty Bar, in de East Village, kun je voor 10 dollar al nippend aan een cocktail je nagels laten doen.
‘Dat rebelse is er niet meer. Het is nu allemaal keurig, hip en glimmend’, zegt Donnie Lochum, samen met zijn partner Greg Newton eigenaar van BGSQD (Bureau of General Service, Queer Division), inmiddels de enige echte LGBTQ-boekhandel van New York. ‘Vroeger ging je ’s ochtends voor je koffie naar een gay koffiebar. Die tijd is allang voorbij.’
Zelf hebben Donnie (50) en Greg (48) tegen de stroom in geroeid. Ze begonnen BGSQD (tegenwoordig gevestigd op de eerste verdieping van het Lesbian, Gay, Bisexual & Transgender Community Center op West 13th Street) zeven jaar geleden, toen veel boekwinkels het al hadden afgelegd tegen de online boekverkopers. Ook Oscar Wilde, dé gay boekwinkel sinds 1967, had het niet gered, door de crisis en een gebrek aan klandizie. Greg: ‘Veel gays dachten dat er geen speciale plek meer nodig was voor homoliteratuur. Maar ga maar eens naar Barnes & Noble: daar staat ergens in een hoek maar een klein rijtje boeken.’
Het stel creëerde samen met een groep vrijwilligers een multifunctionele winkel: klanten komen nu ook terug voor lezingen, optredens en exposities. Greg: ‘In een stad als New York moet er gewoon ruimte zijn voor zoiets. We willen voorkomen dat dit geluid verdwijnt.’
Het geluid is niet verstomd, je moet alleen weten in welke hoek het klinkt. En soms is het zelfs de vraag of het nog gay is te noemen. Kon je tien jaar geleden meestal alleen in een homoclub terecht voor een dragshow, nu heb je in het weekend een dragbrunch met ongelimiteerde mimosa’s in een restaurant op de Upper East Side. Met dank aan het succes van RuPaul’s Drag Race (‘Can I get an Amen in here?’). Donnie: ‘Nou ja, goddank hebben we de drag nog. Maar het is anders. Het gemeenschapsgevoel is weg. De homo’s wonen niet meer in de buurt zelf. Je ziet nu overal kinderwagens.’
De redenen zijn even banaal als treurig. Eerst sloeg in de jaren tachtig aids toe. Donnie: ‘Dat was een wipe out. De halve gemeenschap werd weggevaagd.’ Bovendien hebben de huizenprijzen alle average Joes en plain Janes, gay en straight, de Hudson of de East River over gejaagd. Greg: ‘De huren zijn ontploft. Voor een eenvoudig studiootje betaal je nu makkelijk 3 duizend dollar.’ Manhattan is billionairs island geworden. Ook dit jaar is dat weer bewezen met de opening van Hudson Yards, een glimmend kantoren- en shoppingproject van 25 miljard dollar aan de westkant van Chelsea. Het goedkoopste appartement is het uwe voor 4,3 miljoen.
‘Iedereen is gevlucht’, zegt Rebecca Campbell (28), een van de eigenaars van bar Rebecca’s in Bushwick, Brooklyn. ‘Er is daarom ook niet één gay buurt.’
Je kiest waar je jezelf het lekkerst voelt. Op Manhattan zelf springt Hell’s Kitchen er van oudsher nog enigszins uit, in midtown net naast het theaterdistrict. Ook East Village heeft meer regenboogvlaggen dan gemiddeld. Maar voor de rest… zeg maar gerust dat er eigenlijk geen touw aan vast is te knopen. Hotte pop-upfeesten en hippe galerie-openingen haal je uit de Gayletter, een nieuwsbrief van een duo dat alles afloopt. Iedereen heeft zijn favoriete happy hours die het nog een beetje betaalbaar houden. Wie live honkbal wil zien én half ontblote barmannen, gaat naar Boxers, die nu ook een vestiging in Washington Heights heeft. Helemaal in Queens, niet ver van La Guardia Airport, zit ‘latino’ gay bar Hombres, gewoon ergens midden in een familiewijk. En vraag waar twintigers naartoe gaan, dan is meestal het eerste antwoord: Bushwick.
‘Het maakt het juist spannender’, vindt Rebecca, die ‘nog geluk had’ met een tweekamerappartement voor 2 duizend euro en nu 3,5 jaar in Bushwick woont. Alles is fluïde geworden, zegt Rebecca (‘Ik heb nog nooit zo veel seksfeesten gehad als hier’). Gay is het nergens, gay is het overal. Het idee dat de homoscene vooral bestaat uit donkere bars met mannen aan de bar die om zich heen zitten te kijken is achterhaald. ‘Wij hebben hier alleen op zondag nog een hardcore homoavond.’
De buurt van Rebecca’s, een bar bij metrostation Myrtle Avenue met veel wit en meubels ogenschijnlijk weggerukt uit een jarenzeventighuiskamer, is het allegaartje waar ze van houdt. Vroeger was Bushwick overwegend Portoricaans, daarna werd de buurt door de instroom vanuit dure delen van de stad en elders een mix van alles. Buiten en binnen. ‘Kijk nou wat een zootje hier. Geweldig toch? Hier woon je met tien mensen in een pand dat vroeger een pakhuis was. Wandjes ertussen, klaar. Alles is doe-het-zelf. Deze bar ook. Bijna alle stoelen en tafels komen van Craigslist (een advertentieplatform, red.). Het maakt niet uit. Dat is het.’
Wat dus ook geldt voor haar clientèle: het maakt niet uit. ‘Homo, lesbisch, hetero, queen, trans, girly, polyamoreus… Who cares? Niet mainstream, daar gaat het om. Mijn generatie is queer, New York wordt queer.’
In de jaren zestig waren de homobars in de VS (en elders) een toevluchtsoord. Homoseksuele gedragingen en handelingen waren strafbaar. Homoseksuelen konden elkaar ontmoeten in donkere steegjes en in lege vrachtwagens naast de West Side Highway. Of in een bar als The Stonewall Inn. Dat was clandestien: bars mochten geen alcohol schenken aan individuen die voldeden aan het verdachtenprofiel.
De Stonewall werd gerund door een maffiafamilie, die politieagenten betaalde om een blokje om te lopen. De inval op zaterdag 28 juni 1969 kwam als een verrassing. Buiten op straat kregen de bezoekers steun van honderden buurtgenoten en omstanders, die vooral verontwaardigd waren over de brute wijze waarop de agenten de homo’s en lesbiënnes de politiewagen in werkten. Het werd een veldslag met de politie.
De opstand is de boeken ingegaan als de Stonewall Riots en (correcter) de Stonewall Uprising. ‘Stonewallers’ besloten om een jaar later een mars te houden: het zou de allereerste Gay Pride zijn. Alle Gay Prides van nu zijn schatplichtig aan de opstand.