Natuurlijk, geen Starbucks haalt het bij Ayllu, het café dat een begrip is voor alle Cusqueños, zo daar aan de plaza, aan de andere kant van de kathedraal, met de lekkere doorloopkoffie, de yoghurt met granola, en klassieke muziek nadrukkelijk op de speakers – meestal een symfonie. Maar de aartsbisschop, eigenaar van vele panden in Cusco, wilde het huurcontract niet verlengen en Ayllu moest verhuizen naar een zijstraat. Kentucky Fried Chicken was voor de kerk lucratiever.
Een KFC is er dus ook. En een paar deuren verder een McDonald’s.
Op een of andere manier kan Cusco, de toeristische trekpleister hoog in het Andes-gebergte van Peru, het hebben. Zo’n twee miljoen toeristen komen hier per jaar, op een bevolking van een half miljoen, en de drukte heeft de stad niet verpest. Wie midden op het centrale plein staat, ziet amper dat er multinationale hamburger-, kip- en koffieketens zitten. Uithangborden mogen niet zomaar hier, zo zijn de regels. Omdat dit Cusco is, van halverwege de 15de eeuw tot aan 1532 de politieke en spirituele hoofdstad van het machtige Incarijk.
Cusco is boven alles trots op zijn verleden. En heel Peru is trots op Cusco. ‘Wij vieren Cusco, we eren Cusco’, zegt Roger Valencia, voorzitter van de Cámara Regional de Turismo. ‘Wat er ook verandert, dit blijft een stad waar mensen zich verbonden voelen met de geschiedenis en met de grond waarop ze leven. Cusco is anders, Cusco zal altijd een ander tempo hebben.’
Ook architect Roberto Samanez roemt het ‘collectief bewustzijn’ van de Cusqueños. ‘Ze willen de cultuur in stand houden. Ze houden ook in de gaten of er toch niet ergens een neonreclame opduikt. Bovendien, voor velen is het hun inkomen. Zonder erfgoed geen toerisme.’
Samanez was betrokken bij de restauratie van het gebouw waarin sinds kort het vijfsterrenhotel Palacio Nazarenas huist – met butlers, kussenmenu, handgemaakte zeepjes, en extra zuurstof in de airco vanwege de ijle lucht op 3.400 meter hoogte. Eeuwenlang zaten hier, op twee blokken van de Plaza de Armas, diverse jezuïetenordes en zusters van de Nazarenerkerk. Na een verbouwing van twaalf jaar kon Orient-Express vorig jaar zijn nieuwe hotel openen. Samanez: ‘Niet alles kan een museum worden. Als een luxehotel een fresco goed bewaart, is dat prima. De overheid kan toch niet in alles investeren.’
Zo is het ook gegaan bij het buurhotel Monasterio, ook vijfsterren. Het gebouw staat op de fundamenten van het paleis van een Incaheerser, waar de Spanjaarden later het seminarie San Antionio Abad vestigden. Zelfs de barokke kapel, gebouwd in 1650, hoort nu bij het hotel – leuk voor trouwpartijen en recepties.
Cusco, voorheen vooral een backpackersbestemming en tussenstop voor de reis naar de Machu Picchu, is groot geworden. Het is een wereldstad op pocketformaat. Er zijn tophotels met kamers voor vele honderden dollars per nacht, naast moderne hostels als Mama Simona, waar je vanaf 25 soles per nacht (pakweg 7,50 euro) terecht kunt in een dorm.
Topchefs strijken neer in de Andesstad. Gastón Acurio, de beroemdste en succesvolste Peruaanse chef-kok, heeft zijn naam verbonden aan restaurant Chicha. En aan het grote plein, boven de McDonald’s, kun je modern Peruviaans eten bij Limo. Italiaans bij Incanto. Biologisch bij Green Organics.
Het culturele en archeologische aanbod blijft groeien. Vorig jaar opende Casa Concha, nu feitelijk hét Machu Picchu-museum. Tienduizenden voorwerpen uit het heiligdom die ‘ontdekker’ Hiram Bingham had afgedragen aan de Yale University zijn honderd jaar na dato teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar – Peru. De stad heeft er zo een topmuseum bij. Dat terwijl Cusco, dertig jaar geleden op de Werelderfgoedlijst van de Unesco terechtgekomen, als geheel eigenlijk al een museum is – zelfs in vele gewone huizen en straten komen nog stenen en (kaarsrechte) voegen van de Inca’s terug.
En dan zijn er natuurlijk de historische toplocaties als Sacsayhuamán, het immense Incacomplex direct boven de stad, en de Qorikancha, de Tempel van de Zon, de belangrijkste tempel van het Incarijk.
Maar kom je niet voor de geschiedenis (wat moeilijk voorstelbaar is), dan kun je tegenwoordig ook voor iets kosmopolitisch komen. Cusco heeft een Semana de la Moda Andina, de ‘Fashion Week’ van eind oktober. Als dat te hip is, is er het Festival van de Inheemse Aardappel.
Cusco is een ultieme mix. We eten er cavia, net als Christus tijdens het Laatste Avondmaal op het schilderij van Marcos Zapata in de kathedraal, of een Burger Club met Peruaanse twist van Gastón. Of we gaan naar de overdekte San Pedro-markt, waar de boeren en boerinnen uit de hele regio samenkomen. Daar schuiven we aan lange tafels aan voor een bouillon getrokken van koeienpoten of een soep van lamshoofd.
Wat een weelde. Geen Starbucks die dit kan bederven.